‘Ongewenste intimiteiten’ was de treffende titel van het stuk van Niña Weijers over de schaamte en woede die ze voelde toen ze door een ober werd aangesproken op het zoenen van haar vriendin op een Amsterdams terras. Ze deelde haar beleving in De Groene Amsterdammer van 15 september 2016. Weijers merkte hoe zeer de buitenwereld intervenieert nu zij zich tot de damesliefde had bekeerd. Van dergelijke inmenging was in haar leven eerder geen sprake. Tot dan toe zoende zij mannen en publique. Weijers typeerde haar heteroseksuele en lesbische publieke intimiteiten als ‘perfect onzichtbaar’ versus ‘nieuw verworven zichtbaar’. Dat de ober haar aansprak, startte in haar een emotionele rollercoaster:

Hakkelend vroeg ik hem om de rekening, met een rood hoofd betaalde ik (plus fooi) en zonder om te kijken liep ik het terras af – had ik een staart gehad, dan was die stokstijf tussen mijn benen gekropen. De dagen erna veranderde mijn schaamte in woede, dan weer terug naar schaamte, dan weer woede.

Het herinnerde haar aan een voorval, jaren eerder, op stap met haar vader in een kledingwinkel. Ze voelde zich ‘vies’ nadat een kledingverkoper haar vader voor haar partner aanzag, en hem toevertrouwde dat hij het zou begrijpen als hij met haar het pashokje in wilde stappen. Nu was een Amsterdamse ober de trigger:

‘Zouden jullie een beetje willen opletten’, zei hij. ‘Elkaar af en toe een kusje geven mag, maar…’

Ad rem vroeg haar partner of er geklaagd was door iemand op het terras. Dat was niet het geval. De ober bleek te zijn gestuurd door zijn bedrijfsleider, de vraag van de ober bleek een ‘kwestie van beleid’:

‘Een kusje geven mag’, maar ‘jullie hoofden gingen af en toe schuin.

Dat is gewoon te veel’.

Laten we eens, nieuwsgierig en open, toebewegen naar het ongemak van de ober. De schuine hoofden zijn hem – of, volgens zijn zeggen, zijn bedrijfsleider – te veel. Misschien reageer je automatisch met verontwaardiging en denk je in termen als ‘we-leven-in-een-vrij-land!’ Zijn andere reacties mogelijk, invoelbaar, denkbaar? Wat als we het verzoek van de ober benaderen alsof het een moedig en kwetsbaar verzoek is?

Ik snap best dat ik daarmee behoorlijk wat van je vraag. We zijn gewend in de lhbt-gemeenschap ‘slachtofferschap’ met elkaar te delen, verontwaardiging te voelen en intens met elkaar mee te leven en vrijwel direct te denken of te roepen dat zulke bemoeienis toch ongehoord is. Maar… en hier wil ik dus met jou een aarzeling inbouwen, opnieuw leren kijken naar wat er aan de hand is…: zou het kunnen dat juist dàt cultiveren van slachtofferschap een deel de intensiteit van de gevoelens die Weijers voelde verklaart? Over haar gay vriendenkring zegt ze immers:

Het is allemaal niet erg wereldschokkend, natuurlijk. Dat homoseksualiteit zelfs in een liberale stad als Amsterdam nog altijd niet tot de norm behoort is geen nieuws. Mijn vrienden die gay zijn vinden me geloof ik vooral schattig als ik mijn verbazing en verontwaardiging uit over al die nieuw verworven zichtbaarheid. Ja, duh.

De ober als moedig of in elk geval kwetsbaar benaderen, en de zojuist geciteerde verzuchting van Weijers als passief-agressief. Of overvraag ik je nu echt?

Ik vraag je om vooral niet direct af te haken nu ik deze vragen opwerp…

Ontsteek niet direct in verontwaardiging…

Hou het heel even uit met het ongemak dat ik mogelijk veroorzaak en lees ook mijn geruststelling…

Het is níet – ik herhaal: níet – mijn intentie om het broze en openhartige delen van Weijers’ beleving met voeten te treden. Laat ik er daarom vooraf bij zeggen: het gaat er mijn niet om óf de ober, óf Niña Weijers gelijk te geven. Het gaat me erom eens echt stil te staan bij de framing en ons ook de vraag te stellen hoe voedend deze manier van kijken naar wat er speelde is.

Wat je denkt te ervaren, bepaalt immers ook wat er in je gebeurt. Zou Niña Weijers in een andere taal en met een andere framing ‘in contact’ zijn gekomen met de ober? Zou zij in plaats van kwaadheid bijvoorbeeld… tsja… ‘vertedering’ hebben kunnen voelen? Is er een wereld mogelijk waarin Weijers de ober had benaderd met mildheid en zichzelf in zo’n heerlijke, weldadige mate accepteerde dat zij allerminst woede, laat staan (!) schaamte voelde?

Toegegeven, dát dit verhaal zich afspeelt in Amsterdam werkt enigszins verstorend. Het is mij in Amsterdam door de bank genomen nooit helemaal duidelijk of mijn aanwezigheid op een terras, in een café of restaurant een al te grote inbreuk maakt in het leven van het aanwezige personeel. Laten we daarom even doen alsof dit voorval zich afspeelde in Utrecht, of in Rotterdam, of een willekeurige andere plaats waar horeca-personeel haar bezoek verwelkomt en het in principe naar de zin wil maken.

Als we dan kijken naar de framing van dit verhaal dan valt op dat Weijers de zichtbaarheid van het ‘afwijkende’ op z’n zachtst gezegd verrassend vindt. Het is uiteraard de vraag of haar openlijke intimiteiten met haar voormalige mannelijke partners niet gezien werden: het riep geen interveniërende reactie op. Dat is wat zij vaststelt. Ergens spreekt er uit haar schrijven een ambigue verhouding tot de ‘liberale stad’. Weijers parafraserend: het is voor haar geen nieuws dat homoseksualiteit in de stad niet tot de norm behoort. Toch is zij verbaasd en verontwaardigd. Zij had een andere verwachting en nu er niet aan die verwachting tegemoet wordt gekomen, ontstaat er lijden: gevoelens van schaamte en woede. Haar vrienden vinden haar hierdoor schattig, vermoedt zij. Dat zou kunnen betekenen dat haar gay vrienden een verhaal delen waarin zij interventies verwachten als zij in het openbaar intiem zijn met hun partners.

En dan die ober… die vraagt of zij ‘een beetje willen opletten’. Hij benoemt het ongemak dat het gezoen van deze twee vrouwen voor zijn bedrijfsleider en mogelijk voor hemzelf oproept. ‘Elkaar af en toe een kusje geven mag,’ zegt hij. Kortom: er is wel een beetje ruimte, maar er is ook ongemak als het wat al te intens wordt. En dat roept gevoelens van schaamte op bij Weijers en vervolgens is een deel van haar betoog gericht op ‘shaming the shamer’:

Had hij zich nodeloos bemoeid met iets waar we niemand mee lastigvielen, een paar kussen for God’s sake, geen hitsig voorspel voor een of andere pornofilm.

Wat zou er zijn gebeurd in dit tafereel als de lhbt-gemeenschap ‘democratisch burgerschap’ cultiveerde, een ruimte waarin burgers met elkaar in contact blijven over de grenzen van verschillen heen, het uithoudend met hun eigen ongemak? Zou ze het gesprek dan niet aan haar partner – ‘die sneller van geest is en assertiever van aard’ – hebben overgelaten? Zou ze gevraagd hebben of de bedrijfsleider wilde komen praten? Zou ze – de schaamte en de woede voorbij – zich hebben kunnen verplaatsen in het ongemak dat mensen kunnen hebben met verschil, zeker in een beeldcultuur waarin affectie tussen twee vrouwen nauwelijks verbeeld wordt, althans… niet in de mainstream beeldcultuur?

Het mooie van het open delen van dit voorval door Weijers is dat het resoneert met de taal van de lhbt-gemeenschap – van verontwaardiging, van het uit pure frustratie uithalen naar de intolerante ander – en dat het ons een voorbeeld geeft, een beginnetje voor het nadenken over hoe dit anders zou zijn verlopen als we waren opgegroeid in een wereld waarin wij – als mensen die met mensen van het eigen geslacht willen verkeren – onszelf niet alleen ‘in vertaling’ leerden kennen in erotische en seksuele zin, zoals de Belgische psycholoog Herman Cools dat noemt, als we een taal en een wereld hadden waarin de zelfempathie zó automatisch verliep dat we direct ruimte hadden voor empathie met ‘de Ander die zich ongemakkelijk voelt’.

Zouden we in die wereld vertederd zijn door zo’n ober, die wel ruimte wil maken, maar ook grenzen voelt en dat durft uit te spreken?